Enkele orkesten uitgelicht

 

Francisco Canaro (1888-1964, ‘Pirincho’) violist, orkestleider en componist.
Of het nu experimenteel was of juist heel traditioneel, Canaro’s stijl is aanstekelijk opgewekt. Canaro’s geschiedenis is het klassieke “van arm naar rijk opeigen kracht” verhaal. Hij leerde zichzelf viool spelen op een instrument dat hij voor zichzelf maakte van een olieblik en een houten stok en werd uiteindelijk één van de meest succesvolle tangomuzikanten allertijden. Meer dan 50 jaar leidde hij zijn eigen orkest. Hij was een van de bedenkers van de stijl Tango Fantasía, muziek die eerder geschreven werd als concertstuk dan als dansstuk, terwijl hij tegelijkertijd met een kleiner ensemble (het Quinteto Pirincho) toegewijde dansmuziek bleef maken en opnemen.
Canaro heeft vele, vele tango’s op zijn naam staan. Of ze allemaal ook daadwerkelijk van zijn hand kwamen staat ter discussie, maar Bruno Crespi (een expert op dit gebied) zei ooit: “als slechts 5% van alle nummers waaronder Canaro zijn naam zette daadwerkelijk door hem gecomponeerd zijn, zou dat al genoeg zijn om hem als ‘groot’ te beschouwen.”
Luister naar “Poema” door Canaro.

 

Juan D’Arienzo (1900-1976, ‘el rey del compás’) violist en orkestleider.
D’Arienzo, ‘de koning van het compás’ begint al jong tango spelen, zoals zijn vele collega’s in die tijd. Hij begint echter relatief klein en zal pas als hij 35 is een echt bekend worden. Zijn eerste echte orkest is met D’Agostino op piano. Ze spelen vooral in theaters en hij speelt zelf ook nog viool in een jazzband.
Als in 1935 Biagi bij het orkest van D’Arienzo komt ontpopt zich de “Rey del Compas” zoals we D’Arienzo nu allemaal kennen. Hij brengt de tango terug van een 4/8 naar het oorspronkelijke 2/4. De tango werd al gedurende langere tijd niet meer in de eerste plaats voor de dansers gespeeld, de tango was van een opvallende, uitdagende bijna gymnastische dans veranderd in een “droevige gedachte waarop je kunt dansen” (Discépolo) De dans was ondergeschikt geraakt en vervangen door de lyriek en de zangers.
D’Arienzo gaf de tango terug aan de dansers en mede daardoor raakten ook de jongeren weer geïnteresseerd. De muziek van D’Arienzo onderscheidt zich door het sterke (snelle) ritme en de vele muzikale, maar ook door lyrische grapjes.
Kijk en luister naar “Loca” door D’Arienzo.

 

Rodolfo Biagi (1906-1969, ‘manos brujas’) pianist, orkestleider en componist.
Biagi had een bepaalde nerveuze, snelle manier van pianospelen, wat onder andere D’Arienzo beïnvloedde in zijn werk in de 3 jaar die Biagi bij hem in het orkest speelde. Als Biagi in 1938 zijn eigen orkest opricht kan hij zich nog meer richten op het naar voren halen van het ritme in de tango. Ook Biagi richt zich op het spelen voor de dansers. Aan het orkest van Biagi is duidelijk te horen dat hij pianist is (ook al speelt hij lang niet altijd zelf en heeft hij een vast pianist bij zijn orkest) juist in de piano vind je vaak vreemde ritmische spelletjes terug die de muziek soms iets moeilijker maken om op te dansen, maar wel altijd verrassend.
Luister naar “Cielo” door Biagi.

 

Carlos di Sarli (1903-1960, ‘el señor del tango’) pianist en orkestleider.
Wist als geen ander de ritmische cadans van de tango te combineren met een harmonische structuur. Hij hoorde niet bij één van de twee “mainstreams” van destijds; de traditionele volgers van Firpo of Canaro, of de meer vernieuwende muziek van De Caro. Di Sarli legde van meet af aan zijn eigen stempel op zijn muziek. Creëerde als het ware een ander muziek profiel dat gedurende zijn hele carrière onveranderd blijft.
In het begin hoor je nog veel invloeden van Osvaldo Fresedo (bij wie hij korte tijd in het orkest heeft gespeeld) in zijn muziek. En waarschijnlijk had Di Sarli nooit (in deze vorm) bestaan zonder Fresedo, maar Fresedo kan alleen maar gezien worden als een voorzetje, nodig om een nieuwe stijl vorm te geven.
Di Sarli was een getalenteerd pianist die zijn orkest vanachter zijn instrument aanstuurde. In zijn muziek is weinig ruimte voor instrumentale solo’s. De bandoneon sectie zingt soms gezamenlijk de melodie, maar had vooral een ritmische en dansbare rol. Alleen de viool wordt af en toe op heel delicate wijze in het spotlicht gezet, met een korte solo of een tegen-melodie. De piano had een aangevende, leidende rol. Met een versierde baslijn, die de handtekening van de meester werd, koppelde hij de maten van het stuk aan elkaar en benadrukte hij het elegante ritme, speciaal om te dansen. Een lange carrière met veel solo werk en verschillende eigen orkesten brengen hem naar een absoluut hoogtepunt als hij eind dertiger jaren de zanger Roberto Rufino in zijn orkest brengt. Dit droomteam zorgt voor een gouden pagina in de tango.
Zijn vroege werk is ritmisch en kan redelijk snel zijn. Zijn latere werken, waaronder de bekende tango’s Bahia Blanca, Verdemar, Milonguero Viejo en Otra Vez Carnaval zijn van het elegante, langzame en statige ritme dat di Sarli beroemd maakte.
Luister naar “Bahia Blanca” door Di Sarli.

 

Angel D’Agostino: (1900-1991) pianist en orkestleider.
“De droge wijn van de tango, krokant, helder, licht en elegant, misschien een smaak die je moet leren waarderen, maar erg verfijnd.” De beste en meest bekende successen werden behaald toen het orkest was aangevuld met de zanger Angel Vargas. D’Agostino noemde zichzelf ‘milonguero’ (iemand die vol (tango)dansen is) in de juiste zin van het woord. Hij was een goeie danser en in zijn werk begeleidde hij de besten. Hij gaf zijn orkesten vorm rondom twee gegevens waar hij nooit van af wilde wijken: respect voor de melodische lijn en nadruk op het ritme om het dansen te vergemakkelijken. Bovendien moesten de zangers zichzelf als een instrument binnen het orkest zien, een bevoorrecht instrument, maar kreeg geen aparte plaats. Als de zang de muziek in kwam mocht die de mogelijkheid tot dansen niet onderbreken.
Luister naar “Rondando tu esquina” door D’Agostino.

 

Miguel Caló: (1907-1972) bandoneonist, componist en orkestleider.
Je zou kunnen zeggen dat Caló’s carrière uit twee periodes bestaat. Zijn eerste periode start in 1934 met een orkest dat qua stijl lijkt op Fresedo en qua geluid klinkt als Di Sarli. Zijn tweede periode begint een kleine 10 jaar later, wanneer Caló een stijl uitdraagt die de traditionele tango verbindt met de vernieuwingen van die tijd; met een uitgelichte plek voor de violen, een ritmische bandoneon sectie en een spectaculaire piano partij.
Caló’s orkest van de begin jaren 1940 staat bekend als ‘het orkest van de sterren’. Hierin herken je zijn uitermate goede smaak aan het werken met grote muzikanten zoals de violist Francini, bandoneonist Pontier, pianist Maderna en bandoneonist Domingo Federico die allemaal uiteindelijk zelf verder gingen en hun eigen orkesten formeerden. Het typische geluid van dit orkest is, vloeiend, lyrisch en vol, één van de grootste orkesten van zijn tijd.
Luister naar “Que falta que me haces” door Caló.

 

Alfredo De Angelis: (1912-1992, ‘el colorado’) pianist, componist en orkestleider.
De Angelis behoort tot de groep orkesten die zich vooral geïnteresseerd waren in het schrijven en spelen van dansbare muziek. Het orkest heeft een rijke, ronde, lieve, melodische klank en de muziek kenmerkt zich vooral door de precieze balans tussen; een doeltreffend gebruik van ritme, respect voor de melodie en het uitgekiende naar voren brengen van de zang. Bovendien was hij in de jaren 1940 dé promotor van de zangduetten. Het voor dansers onweerstaanbare geluid van De Angelis herken je vooral aan de draaikolkende violen en in zijn tangowalsen.
Luister en kijk naar “Pregonera” door De Angelis.

 

Ricardo Tanturi: (1905-1973) pianist, componist en orkestleider.
Hoewel hij niet uitblonk in zijn muzikale kunne leidde Tanturi een welbekend orkest dat vooral bekendheid genoot vanwege zijn zangers, waarvan Alberto Castillo en Enrique Campos de meest bekende zijn. Om deze redenen zijn er maar weinig opnames van of zelfs herinneringen aan instrumentale stukken van dit orkest. Ondanks dat houdt de faam van dit orkest vele tientallen jaren aan. En tegenwoordig, met de herleving van het dansen van de tango, vind je Tanturi onder de favoriete dansbare orkesten.
Luister naar “Así se baila el tango” door Tanturi.

 

Aníbal Troilo: (1914-1975, ‘Pichuco’) bandoneonist, componist en orkestleider
Troilo speelde in veel verschillende orkesten voordat hij in 1937 zijn eigen orkest samensteld. In de veertiger jaren had hij een enorme invloed en langzaamaan ontstond wat later genoemd werd ‘het Troilo geluid’. Een apart, rijk, ‘schoon’ geluid die op vakkundige wijze staccato en legato met elkaar afwisselt of deze juist naast elkaar plaatst. Zijn vroeger werken zijn zeer ritmisch, later legde hij zich meer toe op de Tango Fantasía, de tango voor de concertzaal en/of het podium. “Quejas de Bandoneon” staat nog altijd op de top 10 bij optredende dansparen.
Luister en kijk naar “Recuerdo” door Troilo.

 

Osvaldo Pugliese: (1905-1995) pianist, componist en orkestleider.
Na vele pogingen met verschillende muzikanten en in verschillende samenstellingen lukt het Pugliese in 1938 eindelijk een orkest bij elkaar te brengen dat succes had. Zijn volharding en continuïteit in zijn werk, ondersteund door zijn orkestleden, maken het hem mogelijk zijn gedachtes vorm te geven. Zo had de bassist Aniceto Rossi een belangrijke invloed vanwege de ritmische drive die Pugliese in zijn muziek wilde hebben. En ook bandoneonist Osvaldo Ruggiero, die tot 1968 bij hem bleef, was essentieel omdat hij zich volledig in de ideeën van orkestleider verdiepte. Pugliese werd al snel één van de meest getrouwe voorbeelden van de ‘De Caro stijl’, maar dan met een sterk ritmische beat zonder dat er op kwaliteit werd ingeleverd. Zijn gepassioneerde ritmes zetten de dansvloer als geen ander in beweging. Het orkest van de jaren 1940 en 1950 combineerde dansbaarheid en vernieuwing op een unieke manier. En hoewel vanaf 1960 zijn muziek steeds meer de richting van de ‘Tango Fantasía’ op gaat heeft hij altijd gezegd de voeten van de dansers als inspiratiebron te hanteren.
Over Pugliese: “There are those who hear the music only after it’s played: they are the majority. Then there are those who hear it when it plays: they are few. Finally, there are those who hear it before it’s played. Osvaldo Pugliese perceived what had previously not existed and composed Negracha “
– Rodolfo Mederos
Luister en kijk naar “La Yumba” door Pugliese.

Astor Piazzolla: (1921-1992) bandoneonist, pianist, componist en arrangeur en orkestleider.
Piazzolla is geboren in Buenos Aires maar groeide op in New York. Als hij op 17 jarige leeftijd weer terugkomt in Buenos Aires speelt hij bandoneon in verschillende orkesten voordat hij bij Aníbal Troilo terecht komt. In 1946 start Piazzolla zijn eigen orkest. Ongeveer 10 jaar later wint hij een beurs en vertrekt naar Frankrijk om klassieke muziek te studeren, maar zijn docent, Nadia Boulanger, overtuigt hem ervan vooral door te gaan met de tango en de bandoneon. Hij geeft o.a. een concert met het Opera Orkest van Parijs, met hemzelf op bandoneon. Vervolgens gaat hij na een korte stop in Buenos Aires weer terug naar New York, hier experimenteert hij met een mix van jazz en tango, geen periode waar hij later met trots op terugkijkt. Al zijn uitstapjes zijn in zijn muziek hoorbaar. En hoewel ook hij, net als alle anderen, begon met het spelen voor de dansers, is zijn latere muziek over het algemeen moeilijk dansbaar. Piazzolla moet zeker als een pionier van de tango gezien worden. Door zijn muziek, die we tegenwoordig ook wel tango nuevo noemen, ontstond er een hernieuwde belangstelling voor de tango buiten Argentinië. En hoewel er kleinerend over hem gezegd werd: “Piazzolla is geen tango”, werden er, onder andere door Julio de Caro, diverse tango’s in hommage aan hem geschreven. Een getuigenis van de bewondering voor deze ruwe en strijdlustige man die zich over de grenzen van de normen begaf.
Luister en kijk naar “Milonga del Angel” door Piazzolla.

Tangohistorie op Nederlandse bodem, een gezamenlijk concert van Osvaldo Pugliese en Astor Piazzolla: